Slechts van twee mensen zei Jezus ooit dat ze "groot geloof" hadden. De één was een geziene militair, de ander een meelijwekkende moeder. Wat ze echter gemeenschappelijk hadden, was dat ze beiden heidens (d.w.z. niet-Joods) waren. En dat verklaard veel, volgens een commentaar van Paulus in de Romeinenbrief.
Deze heidense mensen waren niet bezig met wat ZIJ moesten (religieuze plichten; "werken"), maar met wat bij de HEER mogelijk was ("geloof").
Deze mensen kenden de wet niet, maar ze wisten wel wat Jezus bij machte was te doen.
Dat is geloof. Niet gericht zijn op onszelf (óók niet op ons geloof!) maar enkel op Hem. Waar wij een grote GOD zien, ziet Hij bij ons een groot geloof.
Behandelde Bijbelgedeelten:
Mattheus 8: 5-13 Toen Hij nu Kafarnaum binnenging, kwam een hoofdman tot Hem met een bede, en zei: Here, mijn knecht ligt thuis, verlamd, met hevige pijn. Hij zei tot hem: Zal Ik komen en hem genezen? Doch de hoofdman antwoordde en zei: Here, ik ben niet waard, dat U onder mijn dak komt, maar spreek slechts één woord en mijn knecht zal herstellen. Want ik ben zelf een ondergeschikte met soldaten onder mij, en ik zeg tot de één: Ga heen, en hij gaat heen, en tot een ander: Kom, en hij komt, en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het.
Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich en zei tot hen, die Hem volgden: Voorwaar, zeg Ik jullie, bij niemand in Israël heb Ik een zo groot geloof gevonden! Ik zeg jullie, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Izaäk en Jakob in het Koninkrijk van de hemelen; maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
En Jezus zei tot de hoofdman: Ga heen, je geschiede naar je geloof. En de knecht genas, juist op dat uur.
Mattheus 15: 21-28 Jezus ging vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon.
En zie, een Kananese vrouw uit dat gebied kwam en riep: Heb medelijden met mij, Here, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten. Hij echter antwoordde haar geen woord, en zijn discipelen kwamen bij Hem en vroegen Hem, zeggende: Zend haar weg, want zij roept ons na. Hij echter antwoordde en zei: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël.
Maar zij kwam en viel voor Hem neer en zei: Here, help mij! Hij echter antwoordde en zei: Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.
Maar zij zei: Zeker, Here ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen. Toen antwoordde Jezus en zei tot haar: O, vrouw, groot is je geloof, je geschiede gelijk je wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af.
Romeinen 9: 30 – 10: 3 Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is; doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van werken.
Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, gelijk geschreven staat: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit. Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.
Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina